Kies gedragsveranderingstechnieken op basis van je veranderdoelen

In de wetenschappelijke literatuur zijn heel wat gedragsveranderingstechnieken terug te vinden. Die spelen in op verschillende determinanten van gedrag zodat de kans op het gewenste gedrag groter wordt. Er zijn technieken voor het aanpakken van individuele determinanten van gedrag (competenties en drijfveren) en technieken voor het veranderen van omgevingsdeterminanten (context). 

Op basis van je veranderdoelen uit stap 2 kan je op zoek gaan naar de geschikte technieken om toe te passen in je methodiek. Die vind je terug in het overzicht van gedragsveranderingstechnieken van Kok en collega’s (2016), waarin de verschillende technieken geordend staan volgens de determinant waarop ze inwerken. Wij werkten alvast twee veelgebruikte technieken uit voor het bevorderen van gezond gedrag. Die zijn vooral bruikbaar voor methodieken of boodschappen voor (grotere) groepen. Het gaat om:

  • Nudging: een set van technieken die mensen een duwtje geven in de richting van gezond gedrag, zonder regels of verboden op te leggen.
  • Persuasieve communicatie: een set van technieken die mensen via engagerende boodschappen overtuigen en motiveren voor gezond gedrag.

Voorwaarden voor effectiviteit bij gedragsveranderingstechnieken

Niet elke gedragsveranderingstechniek werkt altijd en voor iedereen. Zo werken nudges vooral wanneer mensen al wat gemotiveerd zijn voor het voorgestelde gedrag, of slaat een engagerende boodschap alleen aan wanneer die cultuursensitief is geformuleerd. Controleer deze voorwaarden dus altijd goed. In het overzicht van gedragsveranderingstechnieken vind je deze in de kolom ‘parameters’.

Werk de gedragsveranderingstechnieken uit in concrete toepassingen

De gedragsveranderingstechnieken die je terugvindt in de overzichtstabel zijn theoretische technieken die nog uitgewerkt moeten worden in een concrete toepassing of werkvorm. Denk daarbij aan serious games, infobrochures, groepscoaching, vlogs, apps enz.

Soorten werkvormen

Werkvormen komen in alle soorten en maten. Bepaalde werkvormen lenen zich bijvoorbeeld erg goed voor het verspreiden van boodschappen op een grote schaal (vb. het gebruik van infobrochures of vlogs), terwijl andere werkvormen eerder geschikt zijn om heel individueel/op maat te werken (vb. leefstijlcoaching of apps). Naast de traditionele werkvormen zoals mediaberichten, flyers en websites, bestaan intussen ook veel meer innovatieve werkvormen die een beroep doen op nieuwe technologieën of kanalen, bijvoorbeeld het gebruik van serious games, sociale media of andere online platforms …

Verhouding tussen technieken en werkvormen

Eén bepaalde gedragsveranderingstechniek kan op verschillende manieren toegepast worden in concrete werkvormen.

Bijvoorbeeld: de techniek nudging kan uitgewerkt worden als een geschreven boodschap, zoals een oproepbrief voor deelname aan een bevolkingsonderzoek darmkanker. Maar het kan ook een visuele trigger zijn in een bepaalde ruimte, zoals een affiche met Nutri-Scores in een warenhuis.

Binnen één concrete werkvorm kunnen ook verschillende technieken toegepast worden.

Bijvoorbeeld: binnen hetzelfde gesprek tussen een leefstijlcoach en een cliënt kunnen motiverende gesprekstechnieken worden toegepast (motivational interviewing), maar kan de cliënt ook ondersteund worden bij het zoeken van sociale steun (mobilising social support) of bij het anticiperen op moeilijkheden tijdens de gedragsverandering (planning coping responses), al dan niet via het opstellen van een ‘als-dan’ plan. (implementation intentions).

Kiezen van de geschikte werkvorm(en)

Afhankelijk van de mogelijkheden binnen je project kan je dus kiezen voor verschillende soorten werkvormen. Daarbij hou je rekening met de gedragsveranderingstechnieken die je al eerder selecteerde, gezien niet elke gedragsveranderingstechniek even geschikt is om toe te passen binnen elke soort werkvorm.

Omgekeerd kan ook: je werkvorm ligt al (tot op zekere hoogte) vast en de keuze van gedragsveranderingstechnieken stem je hierop af. Zorg er dan zeker voor dat je gedragsveranderingstechnieken blijven tegemoetkomen aan je veranderdoelen.

Ondersteun een blijvende gedragsverandering

Niet elke poging tot gedragsverandering houdt stand op lange termijn. Gezond gedrag wordt niet zomaar een nieuwe gewoonte, waardoor ongezonde verleidingen al snel weer om de hoek loeren. Daarom is het goed om niet alleen in te zetten op gedragsinitiatie (het eenmalig of beperkt stellen van het gezonde gedrag), maar ook op gedragsbehoud (het volhouden van gedrag op langere termijn).

Volgens wetenschappelijk onderzoek zijn er vier voorspellers van gedragsbehoud die je als gezondheidsbevorderaar kan stimuleren:

1. Een autonome motivatie

Dit is een type motivatie dat vertrekt vanuit autonome drijfveren, nl. de ervaren zinvolheid, belangrijkheid of plezierigheid van/interesse in het gewenste gedrag. Autonome drijfveren zorgen voor een diepere en meer kwalitatieve motivatie en dus meer gedragsbehoud. Dit in tegenstelling tot gecontroleerde drijfveren, waarbij het gedrag gesteld wordt vanuit het gevoel dat het moet (van anderen of van zichzelf). Men noemt dit soort motivatie ook wel eens MOETivatie.

Als gezondheidsbevorderaar kan je een autonome motivatie stimuleren door de doelgroep te begeleiden bij het zoeken naar autonome drijfveren voor gedragsverandering, en het identificeren van eventuele gecontroleerde drijfveren die een blijvende gedragsverandering in de weg kunnen staan.

De autonome drijfveren kan je ook aanwakkeren door de doelgroep een gevoel van competentie (“ik kan het”), van autonomie (“ik kan zelf kiezen en richting geven”) en verbondenheid (“ik sta niet alleen, ik word gewaardeerd”) te geven. Lees meer over het motiveren via het abc van zelfdeterminatietheorie (binnenkort beschikbaar).

2. Tevredenheid met de uitkomsten van de gedragsverandering

Als mensen het gevoel hebben dat hun pogingen tot gedragsverandering een positief effect hebben (vb. gewichtsverlies bij een dieet), motiveert dat om vol te houden. Wanneer de verhoopte effecten er niet zijn, of minder uitgesproken dan verwacht, heeft men de neiging om op te geven. Vaak is dit te wijten aan het stellen van onrealistische verwachtingen van bij het begin.

Als gezondheidsbevorderaar kan je in de eerste plaats de doelgroep begeleiden in het stellen van realistische en haalbare doelen. Daarnaast kan je hen helpen bij het opmerken van kleine, al merkbare effecten van de gedragsverandering. Ook de effecten waarbij ze de link misschien niet meteen legden met de aangepaste leefstijl (vb. een hoger energiepeil, betere nachtrust of minder opgeblazen gevoel).

3. Zelfregulatievaardigheden

Dit zijn vaardigheden voor het opvolgen en bijsturen van je eigen gedrag en het overwinnen van drempels voor het gewenste gedrag. Hoe sterker deze vaardigheden zijn, hoe groter de kans dat het gewenste gedrag volgehouden wordt.

Als gezondheidsbevorderaar kan je zelfregulatievaardigheden versterken door met de doelgroep te anticiperen op mogelijke drempels of valkuilen en te zoeken naar manieren om hiermee om te gaan. Daarnaast kan je ook simpele hulpmiddeltjes aanbieden waarmee de doelgroep het eigen gedrag makkelijker kan opvolgen, zoals een dagboekje of app.  

4. Gewoontevorming

Gedrag volhouden vergt veel minder wilskracht als je gezond gedrag kan verankeren in gezonde gewoonten.

Als gezondheidsbevorderaar kan je de doelgroep voorzien van tips bij het vormen van nieuwe gewoonten of het omzetten van ongezonde naar gezonde gewoonten