Wil je een kwaliteitsvolle interventie ontwikkelen en implementeren? Dan is het belangrijk dat je ‘evidence-informed’ te werk gaat. Dat wil zeggen dat wat je beslist bij het ontwikkelen en implementeren van een methodiek, ondersteund wordt door bewijs of ‘evidentie’ voor de effectiviteit ervan. Waarom is het belangrijk om evidence-informed te werken? 

Focus op het juiste probleem 

Je focust op het juiste probleem. Dit wil zeggen: een probleem dat zich effectief stelt bij de doelgroep. Stel: je wil iets doen aan de ongezonde voedingsgewoonten bij studenten die op kot zitten. Dan moet je wel eerst over de nodige evidentie beschikken die je hypothese dat kotstudenten ongezond eten, ondersteunt. Als die evidentie aantoont dat studenten op kot helemaal niet zo ongezond eten, dan focus je mogelijk op een irreëel probleem. 

Focus op de juiste gedragsdeterminanten

Je focust op de juiste gedragsdeterminanten. Stel: je hebt de evidentie verzameld dat kotstudenten er over het algemeen inderdaad ongezonde voedingsgewoonten op nahouden. Je denkt er nu aan een interventie te ontwikkelen die studenten sensibiliseert over het belang van gezonde voeding en hen kennis bijbrengt over de voordelen van gezond eten. Maar liggen ongunstige attitudes ten aanzien van en een beperkte kennis over gezonde voeding wel aan de basis van het gedrag? Wat als studenten wel weten dat gezonde voeding belangrijk is en best wel gezonder zouden willen gaan eten, maar niet over de nodige kookvaardigheden beschikken? Of wat als ze onvoldoende toegang hebben tot gezonde voeding in de buurt van hun kot? Ook hier heb je evidentie nodig die je ervan verzekert dat je de juiste gedragsdeterminanten aanpakt. 

De juiste interventie en methodiek 

Je gaat de juiste soort interventie en methodiek(en) ontwikkelen en implementeren die het onderliggende probleem adequaat aanpakt en optimaal afgestemd is op de noden/behoeften en leefwereld van de doelgroep. Educatieve materialen zijn mogelijk ongeschikt of onvoldoende om studenten de juiste vaardigheden mee te geven. Interactieve kookworkshops werken mogelijk beter. Opnieuw heb je ondersteuning nodig in de vorm van evidentie om de kansen op een effectieve interventie te optimaliseren. 

De juiste implementatie aanpak

De methodieken die je ontwikkelt, moeten ook effectief gebruik worden door de einddoelgroep. Anders hebben ze weinig zin gehad. Maar je methodiek implementeren, hoe doe je dat? Op welke intermediairs zet je in, en hoe ondersteun je hen? Ook hier is bewijs dat je implementatie-aanpak ondersteunt belangrijk.  

Het is duidelijk dat evidence-informed werken belangrijk is. Een evidence-informed aanpak zorgt ervoor dat je focust op een reëel probleem, dat je de juiste gedragsdeterminanten in rekening brengt, en dat je uiteindelijk een methodiek ontwikkeld en implementeert die niet enkel effectief is om het probleem met onderliggende determinanten aan te pakken, maar ook optimaal is afgestemd op de doelgroep (zowel de einddoelgroep als de intermediairs). 

Maar als we spreken over bewijs of evidentie, waarover hebben we het dan precies? En hoe ga je dan exact te werk in een evidence-informed aanpak? 

Soorten 'evidence' 

Soorten Evidence

Een interventie kan ondersteund worden door drie verschillende soorten ‘evidence’: bewijs vanuit het wetenschappelijke veld, bewijs vanuit het praktijkveld, en bewijs vanuit waarden en normen. Deze vormen van evidence zijn complementair. Breng je ze alle drie in kaart? Dan wordt je interventie vanuit de wetenschap, vanuit het praktijkveld van de intermediairs en vanuit de waarden van de einddoelgroep en de bredere maatschappij ondersteund. Op die manier kan je beredeneerde keuzes maken.

1. Bewijs vanuit het wetenschappelijke veld: ‘science-based evidence’

Wat?

Een eerste vorm van bewijs is afkomstig uit de wetenschappelijke literatuur. Je richt je tot het wetenschappelijke veld en wat daarbinnen bestaat aan theorievorming en empirisch onderzoek. Deze informatie leert je of er voldoende wetenschappelijk bewijs is voor een bepaald probleem en onderliggende determinanten, of voor de effectiviteit van een bepaalde methodiek en implementatie-methode. 

In wetenschappelijke literatuur vind je bijvoorbeeld cijfers over rookgedrag en attitudes tegenover roken bij jongeren die onderbouwd zijn door kwantitatief onderzoek. Maar je vindt er ook drempels en barrières terug om te stoppen met roken die dan weer onderbouwd zijn door kwalitatief onderzoek. De wetenschappelijke literatuur die je raadpleegt, zal niet steeds van Vlaamse bodem zijn. Wees je er dus wel van bewust dat de data die je in wetenschappelijke literatuur terugvindt, niet steeds volledig van toepassing zijn in een Vlaamse context. Maar wetenschappelijke literatuur is wel goed geschikt en nodig om algemene tendensen, gevalideerde methodieken en dergelijke te identificeren. 

Denk er ook aan om niet enkel op zoek te gaan naar wetenschappelijke informatie die jouw eigen denkpiste bevestigd, maar ga ook op zoek naar kritische wetenschappelijke bronnen waar je mogelijk tegenargumenten vindt. Zo kan je een beredeneerde keuze maken! 

Hoe?

Je doet beroep op wetenschappelijke databanken om informatie te verzamelen. Je kent zeker en vast nog Google Scholar uit je studententijd, maar ook websites als die van bijvoorbeeld de WHO zijn voor gezondheidsbevordering erg belangrijk.

Bekijk het overzicht van plaatsen waar je wetenschappelijk onderbouwde informatie kan vinden over gezondheidsbevordering.

2. Bewijs vanuit de praktijk: ‘practice-based evidence’

Wat?

Een tweede vorm van bewijs komt uit het praktijkveld. Hier zijn de (toekomstige) intermediairs die je methodiek zullen gaan implementeren, je voornaamste bronnen. Je richt je tot het praktijkveld en doet beroep op hun ervaring. Je verzamelt informatie op basis van de kennis van intermediairs, maar gaat ook na wat hun behoeften zijn, hoe hun professionele omgeving eruitziet en binnen welke bredere beleidscontext zij functioneren. Deze informatie is bijzonder cruciaal voor een geslaagde implementatie. 

Wetenschappelijke literatuur kan bijvoorbeeld wel aantonen dat samenwerking tussen verschillende actoren (vb. dokters, vroedvrouwen, maatschappelijk assistenten, etc.) cruciaal is om een begeleidend netwerk op te zetten voor zwangere vrouwen die roken. Maar om een methodiek te ontwikkelen en te implementeren die in Vlaanderen effectief zwangere vrouwen die roken wil begeleiden en helpen om te stoppen met roken, is de stem van de praktijkwerker cruciaal. Hoe zien zij het probleem, welke rol zien zij voor zichzelf weggelegd, wat zijn voor hen cruciale randvoorwaarden?  

Hoe?

Ook hier kan je beroep doen op wetenschappelijke literatuur. Je gaat na of er al onderzoek is gebeurd naar de behoeften van bepaalde intermediairs, naar hun professionele context, en/of naar de bredere beleidscontext. Omdat jouw project en de intermediairs tot wie je je richt uniek zijn, is het echter raadzaam om vooral zelf informatie te gaan verzamelen en de intermediairs te consulteren. Dit kan je doen aan de hand van verschillende methoden. Denk aan face-to-face interviews, focusgroepen, vragenlijsten, en (participerende) observatie. Hulp nodig? Lees dan zeker onze pagina over eerste hulp bij meetinstrument.


3. Bewijs vanuit waarden: 'value-based evidence'

Wat?

Een derde vorm van bewijs komt vanuit de waarden die belangrijk zijn voor de einddoelgroep. Je verzamelt informatie over de waarden en normen bij de einddoelgroep, maar ook over bredere maatschappelijke waarden en normen  (denk maar aan multiculturaliteit). Om de kans op het welslagen van je interventie te optimaliseren, is het heel belangrijk inzicht te hebben in deze waarden. Immers, een methodiek die niet afgestemd is op de waardekaders van de einddoelgroep of niet past binnen bredere maatschappelijke waarden, heeft weinig kans van slagen. 

Stel: je wil een sensibiliseringscampagne rond borstkankerscreening doen specifiek gericht op moslimvrouwen, omdat blijkt dat zij zich minder vaak laten screenen. Inzicht in de waarden van de doelgroep kan je leren dat je in je campagne best inspeelt op waarden als verbondenheid, familie, zorg voor ouderen, en gemeenschapsgevoel; en dat een éénzijdige focus op cijfers en gezondheidsvoordelen waarschijnlijk zal tekortschieten. 

Hoe?

Ook hier kan je in eerste instantie beroep doen op wetenschappelijke literatuur. Wat zegt wetenschappelijk onderzoek over de waardesystemen van bepaalde groepen en bepaalde samenlevingen? Met de specificiteit van jouw project in het achterhoofd, is het evenzeer wenselijk ook zelf ook actief informatie in te winnen, met name bij de einddoelgroep zelf: wat zijn hun waarden, (culturele) opvattingen, en behoeften? Opnieuw kunnen verschillende methodes je hierbij helpen: face-to-face interviews, focusgroepen, vragenlijsten, en (participerende) observatie. Hierbij hulp nodig? Lees dan zeker onze pagina over eerste hulp bij meetinstrument

Het is aan te raden om steeds de drie vormen van evidentie mee te nemen, en op basis daarvan beredeneerde keuzes te nemen. Maar wat indien bronnen (wetenschappelijke literatuur, intermediairs, einddoelgroep) je ander, soms tegenstelt, bewijs opleveren?  

Ga dan eerst de mogelijkheid na dat bronnen elkaar op een oppervlakkig niveau misschien tegenspreken, maar dat er toch een vorm van consistentie is op een dieper niveau. Een hypothetisch voorbeeld: uit de wetenschappelijke literatuur leer je dat de belangrijkste drempel voor onvoldoende beweging het gebrek aan mogelijkheden tot actieve verplaatsing is (vb. tussen woonplaats en werk), terwijl je via interviews met de einddoelgroep begrijpt dat gebrek aan beweging en sport in de eerste plaats ligt aan het feit dat er te weinig betaalbaar beweegaanbod voorhanden is. Andere bevindingen, maar toch gaan ze beiden terug naar dimensies van toegankelijkheid (te weinig toegankelijke infrastructuur voor actieve verplaatsen en te weinig betaalbaar lokaal beweegaanbod). 

In een aantal gevallen zullen bronnen elkaar echt tegenspreken. Welke bron je dan voorrang geeft, hangt af van waarvoor je precies bewijs zoekt. Wil je inzicht in de waarden van de einddoelgroep? Hecht dan het meeste belang aan wat je verneemt van leden van de einddoelgroep zelf, eerder dan aan de wetenschappelijke literatuur. Zoek je bewijs voor je implementatie-aanpak, dan zijn intermediairs je belangrijkste bronnen en hecht je het meeste waarde aan data die je haalt uit interviews of gesprekken met hen, eerder dan aan data uit wetenschappelijke literatuur. Wetenschappelijke literatuur weegt dan weer het zwaarste door wanneer je bewijs zoekt over de effectiviteit van een bepaalde interventie of methodiek.