Hoe motiveer ik de zorgvrager?
Stap 1: ga na waarom iemand niet wil bewegen
De eerste stap is om te achterhalen wat iemand tegenhoudt om te bewegen. Dit kunnen overtuigingen zijn zoals:
- Het lukt me toch niet om het vol te houden om meer te bewegen.
- Ik ben niet goed genoeg in sporten.
- Ik heb geen energie om te bewegen.
- Ik moet eerst beter in mijn vel zitten voor ik kan bewegen.
Ga in gesprek met de zorgvrager en onderzoek welke gedachten, verwachtingen en ervaringen invloed hebben op hun houding tegenover beweging.
Mogelijke vragen kunnen zijn:
- Wat betekent bewegen voor jou?
- Wat vind je moeilijk aan meer bewegen?
- Wat houdt je tegen om vandaag meer te bewegen?
- Welke ervaringen heb je vroeger gehad met bewegen?
Stap 2: onderzoek de overtuigingen
Onderzoek samen met de zorgvrager de achterliggende overtuigingen. Kloppen die wel altijd? Stel vragen die helpen de overtuigingen te verkennen en uit te dagen, zoals:
- Wat maakt meer bewegen moeilijk voor jou?
- Waarom denk je dat het je niet zal lukken?
- Zijn er momenten geweest waarop bewegen wel lukte?
- Welke kleine vorm van beweging zou vandaag wel haalbaar zijn?
- Wat zou je kunnen doen om meer beweging in je dagelijkse routine op te nemen?
Door samen naar deze overtuigingen te kijken, kan de zorgvrager ontdekken dat er mogelijk andere, minder beperkende overtuigingen zijn. Ook kan het duidelijk worden dat er oplossingen bestaan voor de obstakels die ze tegenkomen.
Stap 3: introduceer helpende overtuigingen
Na het uitdagen van de oude overtuigingen kan je helpen nieuwe, positievere overtuigingen over beweging te ontwikkelen. Bijvoorbeeld:
- Het lukt me toch niet om het vol te houden om meer te bewegen. → Je kunt bewegen op een manier die past bij jouw tempo.
- Ik ben niet goed genoeg in sporten. → Je hoeft geen topsporter te zijn om te bewegen.
- Ik heb geen energie om te bewegen. → Soms kan een klein bewegingsmoment net energie geven.
- Ik moet eerst beter in mijn vel zitten voor ik kan bewegen. → Bewegen kan ervoor zorgen dat ik beter in mijn vel ga zitten.
Reik de zorgvragers concrete tips aan om meer te bewegen. Voorzie genoeg variatie, zodat er zeker iets bij zit dat hen aanspreekt.
Meer tips nodig? Op deze webpagina vind je inspiratie.
Stap 4: versterk het vertrouwen in eigen kunnen
Naast het aanpassen van overtuigingen, is het belangrijk om het zelfvertrouwen te vergroten. Dit kan door mensen te herinneren aan eerdere successen, hen aan te moedigen kleine stappen te zetten en positieve feedback te geven. Zorg ervoor dat ze zich ondersteund voelen en geloof in hun vermogen om meer te bewegen.
- Geef positieve feedback op inspanning, niet alleen op resultaat, bijvoorbeeld:
- Je hebt vandaag toch die wandeling gemaakt.
- Je hebt een manier gevonden om meer te bewegen die voor jou werkt.
- Je hebt ondanks je twijfels toch een stap gezet.
Succeservaringen versterken het geloof: ‘Ik kan dit.’
Stap 5: veranker de nieuwe overtuigingen
Nieuwe overtuigingen groeien wanneer ze regelmatig worden bevestigd door ervaringen. Help mensen om deze overtuigingen te blijven herkennen, benoemen en toepassen. Dat kan door:
- de helpende overtuigingen regelmatig terug te halen in gesprekken, herinneringen of reminders;
- successen expliciet te koppelen aan de overtuiging, zodat het verband tussen ‘denken’ en ‘doen’ sterker wordt;
- reflectievragen te stellen als: ‘Wat hielp jou om in beweging te komen?’, ‘Wat merkte je nadien?’, ‘Wat zegt dit over wat jij kan?’;
- de omgeving te betrekken bij het bevestigen van de nieuwe overtuiging, zoals complimenten van anderen of steunende feedback.