Hoe verklaar je gedrag?

Wil je een gezonde leefstijl bevorderen bij anderen? Het gezond gedragswiel vat op een toegankelijke manier samen welke determinanten gezond en ongezond gedrag beïnvloeden

Gedragswiel

Wat maakt dat stoppen met roken zo moeilijk is? Kiezen we voor fruit of een zak chips? En waarom is onszelf motiveren om regelmatig te bewegen soms ingewikkelder dan we willen? Menselijk gedrag is het resultaat van een complex samenspel van gedragsinvloeden of -determinanten. Inzicht krijgen in wat ons gedrag nu precies beïnvloedt is de basis om anderen (en jezelf) te kunnen motiveren tot een gezonde leefstijl.

Het gezond gedragswiel dat het Vlaams Instituut Gezond Leven ontwikkelde , toont de verschillende soorten gedragsdeterminanten die gezond en ongezond gedrag kunnen verklaren en voorspellen. 

Wat is gedrag? 

Wat verstaan we precies onder gedrag? Gedrag omschrijven we als ‘alles wat een persoon doet als reactie op iets wat gebeurt binnen of buiten de persoon’.

Je kiest bijvoorbeeld voor een zoete snack omdat je je hongerig en moe voelt (binnen de persoon) of omdat iemand je het vriendelijk aanbiedt (buiten de persoon).

We reageren dus steeds op prikkels van binnenuit (lichamelijke sensaties zoals honger of bepaalde gedachten of emoties) en op prikkels uit de omgeving (vb. gedrag van anderen). Al deze prikkels vormen samen de determinanten van gedrag en voegden we samen in het gezonde gedragswiel.

3 voorwaarden voor gedrag

Opdat een gedrag zal plaatsvinden (of veranderen) zijn er 3 voorwaarden, volgens het gedragswiel:

  • Je hebt bepaalde competenties nodig
  • Je hebt krachtige drijfveren nodig
  • Je hebt een context nodig waarin het gedrag mogelijk, maar ook makkelijk is

Deze determinanten staan niet los van elkaar. Ze beïnvloeden elkaar op allerlei manieren. Interventies die gedragsverandering willen teweegbrengen, zetten dan ook best in op deze 3 determinanten van gedrag. De determinanten in het gedragswiel helpen dan enerzijds om ongezond gedrag te verklaren, maar kunnen ook duidelijk maken waar nog werk aan de winkel is. 

Competenties 

Gedragswiel Competenties

Competenties zijn de vaardigheden (psychisch en fysiek) en de kennis die je nodig hebt om een bepaald (gezond) gedrag te stellen of een (ongezond) gedrag te veranderen of af te leren. 

Dat houdt in dat je kritisch kan omgaan met gezondheidsinformatie, in staat bent om je eigen gedrag te reguleren en met tegenslagen om te gaan, maar ook dat je kennis hebt van wat gezond en ongezond is (= psychische competenties).

Daarnaast heb je ook een aantal fysieke competenties nodig zoals voldoende fitheid en technische of motorische vaardigheden zoals kunnen fietsen of koken.

Context

Gedragswiel Context

Gedrag wordt ook in sterke mate beïnvloed door factoren buiten het individu: bijvoorbeeld de mate waarin je directe leefomgeving je aanzet om te fietsen, steun die je krijgt bij leefstijlwijzigingen, reclame voor ongezonde frisdranken en acties of regels van het beleid. De fysieke, sociale, economische en politieke context vormen samen een belangrijke determinant van gedrag.

Deze 4 contexten kunnen iemands gedrag van dichtbij beïnvloeden, bijvoorbeeld via interactie met familie en vrienden (microniveau), vanuit de groepen of organisaties waarin iemand leeft, zoals school, werk en verenigingen (mesoniveau) of vanuit de ruimere maatschappij (macroniveau). 

Daarnaast heeft niet enkel de reële context (objectief), maar vooral ook de manier waarop iemand die context ervaart (subjectief) een invloed op gedrag. Zo kan iemand onterecht de indruk hebben dat de meeste mensen nog roken, of lijken ongezonde voedingswaren net gezond door een misleidende verpakking.

Gedragswiel Drijfveren

Drijfveren

Drijfveren zijn de motor achter je gedrag. Het zijn die factoren die maken dat je je gemotiveerd voelt om dingen te doen: gaan lopen omdat je echt graag die 5km wil halen, maar ook een sigaret opsteken omdat je je gespannen voelt. 

Deze drijfveren kunnen reflectief zijn, wat betekent dat je er rationeel en bewust over nagedacht hebt, maar zijn veelal automatisch en impulsief.

Dit onderscheid is gebaseerd op het werk van Nobelprijswinnaars Kahneman en Tversky (2002). Volgens hen bestaan er 2 soorten systemen in ons denken: een systeem 2 dat erg rationeel en logisch maar vrij traag te werk gaat en een systeem 1 dat snel en impulsief te werk gaat, maar ons niet noodzakelijk altijd in de gezonde richting stuurt. 

Er heerst dus vaak een dilemma tussen rationele overwegingen zoals “ik zal niet toegeven aan die sigaret, want ik weet dat die slecht voor me is en ik wil er graag mee stoppen”  en (vaak sterkere) automatische impulsen zoals een onweerstaanbare drang naar diezelfde sigaret.

Drijfveren worden op hun beurt ook beïnvloed door de andere 2 gedragsdeterminanten (competenties en context). Zo zal je meer gedreven zijn om je gedrag bij te sturen als je de nodige vaardigheden hebt en als je gestimuleerd wordt door je omgeving.