Wil je een gezonde leefstijl bevorderen bij anderen? Dan krijg je best inzicht in de determinanten van gezond en ongezond gedrag. Het gedragswiel, dat ontwikkeld werd door het Vlaams Instituut Gezond Leven, vat deze gedragsdeterminanten op een toegankelijke manier samen. Zo ben je alvast goed op weg naar een succesvolle gedragsverandering.

Gedragswiel

3 voorwaarden voor gedrag

Om een gedrag te stellen (of veranderen) zijn er drie voorwaarden, volgens het gedragswiel:

  • Je moet het kunnen en hebt dus bepaalde competenties nodig.
  • Je moet het willen en hebt dus bepaalde drijfveren nodig.
  • Het moet mogelijk (en evident) zijn binnen de context waarin je leeft.

Wanneer aan deze drie voorwaarden voldaan is, wordt de kans op het (gezonde) gedrag een pak groter. Acties of methodieken die een gedrag willen helpen veranderen, zetten dan ook best in op deze drie voorwaarden.

Competenties

Competenties zijn de vaardigheden (psychisch en fysiek) en de kennis die je nodig hebt om een bepaald (gezond) gedrag te stellen of een (ongezond) gedrag te veranderen of af te leren. Naargelang wat het gewenste gedrag is, zijn bepaalde competenties meer of minder relevant.

Psychische competenties stellen je in staat om kritisch om te gaan met gezondheidsinformatie, om je eigen gedrag te reguleren en met tegenslagen om te gaan, maar ook om kennis te hebben van wat gezond en ongezond is. Daarnaast kunnen ook een aantal fysieke competenties nodig zijn, zoals lichamelijke fitheid, of het kunnen bereiden van een gezonde maaltijd.

Drijfveren 

Drijfveren zijn de motor achter je gedrag. Het zijn die factoren die maken dat je je gemotiveerd voelt om dingen te doen. Gaan lopen omdat je echt graag die 5 km wil halen, maar ook een sigaret opsteken omdat je je gespannen voelt.

Deze drijfveren kunnen reflectief zijn. Dat betekent dat ze voortkomen uit je rationele en bewuste gedachten. Reflectieve drijfveren zijn bijvoorbeeld bepaalde attitudes ten opzichte van een gezond gedrag, doelen en intenties die je hebt, of uitkomstverwachtingen ten aanzien van gedragsverandering. Maar drijfveren zijn meestal automatisch en impulsief. Denk daarbij aan emoties en gewoonten die je gedrag sturen, zonder dat je er zelf bij stilstaat.

Reflectieve en automatische drijfveren hebben nogal eens de neiging om elkaar tegen te spreken. Mensen ervaren dan ook vaak een dilemma tussen rationele overwegingen zoals “ik zal niet toegeven aan die sigaret, want ik weet dat die slecht voor me is en ik wil er graag mee stoppen”  en (vaak sterkere) automatische impulsen zoals een onweerstaanbare drang naar diezelfde sigaret.

Drijfveren worden op hun beurt ook beïnvloed door de competenties en de context. Zo zal je meer gedreven zijn om je gedrag bij te sturen als je de nodige vaardigheden hebt en als je gestimuleerd wordt door je omgeving.

Context

Gedrag wordt ook in sterke mate beïnvloed door factoren buiten het individu: bijvoorbeeld de mate waarin je directe leefomgeving je aanzet om te fietsen, steun die je krijgt bij leefstijlwijzigingen, reclame voor ongezonde frisdranken en acties of regels van het beleid. Een context die gezond gedrag mogelijk maakt, en zelfs stimuleert, is dus essentieel bij het bevorderen van een gezonde leefstijl. Het gaat om een fysieke, sociaal-culturele, economische en politieke context.

Deze 4 contexten kunnen iemands gedrag van dichtbij beïnvloeden, bijvoorbeeld via interactie met familie en vrienden (microniveau), vanuit de groepen of organisaties waarin iemand leeft, zoals school, werk en verenigingen (mesoniveau) of vanuit de ruimere maatschappij (macroniveau).

Daarnaast heeft niet alleen de reële context (objectief), maar vooral ook de manier waarop iemand die context ervaart (subjectief) een invloed op gedrag. Zo kan iemand onterecht de indruk hebben dat de meeste mensen nog roken, of lijken ongezonde voedingswaren net gezond door een misleidende verpakking.