Het gemak waarmee iemand voor de gezonde keuze gaat, verschilt van persoon tot persoon en van dag tot dag. Waar komt die motivatie eigenlijk vandaan? En wat verstaan we er precies onder?

Wat is motivatie?

Motivatie kan worden omschreven als “datgene wat ons in beweging brengt”. Het is een mentale energie, een interne kracht die gericht is op een bepaald doel. Motivatie omvat onze drijfveren of beweegredenen die richting geven aan de keuzes die we maken of het gedrag dat we stellen. 

Motivatie: kwaliteit boven kwantiteit

Volgens de zelfdeterminatietheorie (Ryan & Deci, 2017) is het belangrijk om zicht te krijgen op de beweegredenen van ons gedrag. Niet alleen de mate waarin we gemotiveerd zijn wordt als belangrijk gezien (kwantiteit), maar vooral het soort motivatie dat we vertonen (kwaliteit) (Vansteenkiste, Lens & Deci, 2006). 

De zelfdeterminatietheorie beschrijft verschillende soorten motivatie op een continuüm van gecontroleerde naar autonome motivatie. Het soort motivatie bepaalt hoe iemand zich voelt, maar ook hoe succesvol hij of zij is in het streven naar (en het volhouden van) gezond gedrag (Ng et al., 2012). Hoe meer naar rechts op het continuüm (autonome motivatie), hoe beter de kwaliteit ervan.

Soorten Motivatie Volgens Zelfdeterminatietheorie

Autonome motivatie

Dit wil zeggen dat je iets doet omdat je dat zelf wil (‘goesting’, ‘zin’ of ‘vrijwillige motivatie’). Er zijn drie soorten autonome motivatie:

  • Bij interesse gedreven (intrinsieke) autonome motivatie stel je een gedrag omdat je omdat het je echt interesseert of omdat je het leuk vindt. Je eet bijvoorbeeld een stuk fruit omdat je het lekker vindt, of je gaat sporten omdat je dit leuk vindt. 
  • Bij nut gedreven (extrinsieke) autonome motivatie stel je het gedrag omdat je het nut of de persoonlijke zinvolheid ervan inziet of ervaren hebt. Je gaat bijvoorbeeld twee maal per week een half uur joggen omdat het goed is voor je gezondheid. 
  • Bij waarde gedreven (extrinsieke) autonome motivatie raakt de activiteit ingekapseld of geïntegreerd in je levensstijl. De gedragsverandering past bij die zaken die jij belangrijk vindt in het leven.  Zo stop je bijvoorbeeld niet alleen met roken omdat je het belangrijk vindt voor je eigen gezondheid, maar ook  omdat je een rolmodel wil zijn voor je (klein)kinderen. De gedragsverandering wordt op deze manier op harmonieuze wijze ingebed in je waardenpatroon. 

Gevolg: autonome motivatie zorgt ervoor dat iemand volhardt in wat hij of zij doet, daar voldoening uit haalt en ook kwaliteitsvol werk levert. Leefstijlwijzigingen lukken dan ook beter en worden langer volgehouden.

Weetje: de meeste gezondheidsgerelateerde gedragingen worden doorgaans niet gedreven vanuit interesse of plezier, maar vaak wel vanuit de ervaren zinvolheid of het belang dat men eraan toeschrijft. Ook deze drijfveren zorgen voor een autonome – en dus kwaliteitsvolle - motivatie. Op termijn kan men het gezonde gedrag zelfs leuk vinden (bv. bewegen) en opschuiven naar een interesse gedreven of intrinsieke motivatie. 

Gecontroleerde motivatie 

Motivatie vanuit een gevoel van druk verwijst naar dingen doen omdat het moet (‘MOETivatie’) en kent twee varianten: interne en externe druk. Interne druk ontstaat vanuit verwachtingen of verplichtingen die je jezelf oplegt (interne druk). Dat is het geval wanneer je beschaamd bent omdat je er niet in slaagt om een dieet te volgen, of wanneer je alleen trots kan zijn op jezelf als je elke dag een uur gaat hardlopen. Maar je kan ook door je omgeving onder druk gezet worden, bijvoorbeeld wanneer je partner heel graag wil dat jij stopt met roken, of vanuit verwachtingspatronen of bestraffingen die je verwacht van anderen. Hierbij is dan sprake van externe druk. 

Gevolg: iemand die gecontroleerd gemotiveerd is, ervaart spanning, schuldgevoel, een lage zelfwaarde en een lage emotionele betrokkenheid bij het gedrag. Dit soort motivatie brengt dan ook minder gunstige resultaten mee. Onder druk kan je dan wel je gedrag veranderen, de kans op  geslaagde, blijvende gedragsverandering is veel kleiner. Want moeten veranderen kost veel energie. Het is een karwei, waardoor je het op langere termijn veel minder lang volhoudt.

Weetje: een gecontroleerde motivatie is weliswaar minder kwaliteitsvol in vergelijking met een autonome motivatie, maar het is niet gezegd dat het geen startpunt kan zijn voor gedragsverandering. Zo kan een beloonsysteem wel degelijk worden ingezet om te zorgen voor een initiële motivatie voor gedragsverandering. Enige mate van interne of externe druk is bovendien vaak onvermijdelijk. Ook wanneer iemand vertrekt vanuit interne of externe druk kan er uiteindelijk een autonome motivatie ontstaan door, voor zover mogelijk, tegemoet te komen aan de drie basisbehoeften (zie verder). 

Amotivatie

Naast autonome en gecontroleerde motivatie bestaat ook het ontbreken van motivatie of amotivatie. Bij amotivatie is er vaak sprake van een tekort aan de nodige gezondheidsvaardigheden om het gewenste gedrag te stellen. Dit uit zich in een ongeloof in de effectiviteit van de aanbevolen gedragsveranderingen, een gebrek aan bereidheid tot het leveren van de vereiste inspanningen, of het gevoel onbekwaam te zijn. 

Gevolg: amotivatie gaat gepaard met gevoelens van onzekerheid, onverschilligheid en faalangst. Er ontstaat weerstand tegen de aanbevolen activiteit. Zo kan iemand aangeven dat twee maal per week joggen niet helpt om gewicht te verliezen, dat het een te grote inspanning vraagt, of dat het tempo van joggen te hoog ligt. Amotivatie kan ook ontstaan door een gebrek aan materiële basisbehoeften, zoals toegang tot voldoende (gezond) eten en kwaliteitsvolle huisvesting en gezondheidszorg, maar bijvoorbeeld ook door sociale factoren (zoals het gebrek aan een sociaal vangnet). Vanuit amotivatie staat men veel minder open voor gedragsverandering. Dit is dan ook de moeilijkste groep om te bereiken als gezondheidsbevorderaar.