Het loont zeker de moeite om zoveel mogelijk te streven naar een autonome motivatie in gezondheidsbevorderende interventies of gezondheidsboodschappen. Volgens de zelfdeterminatietheorie bereik je autonome motivatie door tegemoet te komen aan 3 psychologische basisbehoeftes die iedereen in zich draagt: de behoefte aan autonomie, aan verbondenheid en aan competentie. Deze kan je ook onthouden als het abc van motivatie (Autonomie, verBondenheid, Competentie; Vansteenkiste, Ryan & Soenens, 2020).

Het abc van motivatie

  • Autonomie verwijst naar het gevoel van keuze en vrijheid in het handelen, denken en voelen zodat je aan het roer staat van je eigen leven.
  • Verbondenheid beschrijft het verlangen om een connectie te voelen met anderen en om je gewaardeerd te voelen.
  • Competentie gaat over de behoefte van je bekwaam te voelen om gewenste doelen te bereiken. 

Hoe meer deze behoeftes ondersteund worden, hoe autonomer en dus hoe kwaliteitsvoller de motivatie. 

Via het abc naar een betere motivatie?

Gedrag stellen vanuit een autonome motivatie geeft je energie en voldoening, waardoor je nog meer gemotiveerd raakt en de verandering beter volhoudt. Je komt in een positieve veranderingsspiraal terecht. Het abc is de voedingsbodem voor een kwaliteitsvolle of autonome motivatie.

  • Hoe meer je zelf initiatief kan nemen en richting kan geven aan je eigen gedrag (autonomie), hoe meer het gezonde gedrag verankerd raakt in de eigen set van waarden en normen. Door het gedrag te laten aansluiten bij belangrijke levensdoelen (bv. spelen met de kleinkinderen en zo meer bewegen, een zinvolle carrière nastreven en zorgen dat je je mentaal goed voelt), heb je een stabielere basis om van te vertrekken. Zo wordt het makkelijker om vol te houden. 
  • Wanneer mensen oprecht interesse tonen in anderen, ontstaat er een vertrouwensband en zijn die anderen meer geneigd om te investeren in die relatie (verbondenheid). In een zorgsetting kan dat betekenen dat de patiënt blijft opdagen op consultaties en actiever deelneemt aan het zorgtraject. Ook contact met anderen die hetzelfde meemaken, creëert verbondenheid. Die anderen zijn vooral belangrijk wanneer men het moeilijk heeft om het gedrag vol te houden. Ze fungeren als vangnet voor motivatiedipjes. Belangrijk is dat de achting die men krijgt van die anderen (bv. een hulpverlener of coach) losstaat van de mate waarin iemand slaagt in de gedragsverandering, en dus onvoorwaardelijk is. 
  • Als de lat te hoog ligt, ontstaat er aarzeling om aan de gedragsverandering te beginnen. Maar hoe meer je je in staat voelt om een gedrag te stellen (competentie), hoe sterker je motivatie. Wat voor de buitenwereld een kleine stap is, kan in de ogen van de persoon een grote stap zijn. Positieve feedback en aanmoediging doen het zelfvertrouwen groeien. Om het gedrag vol te houden, moet het ook plezierig of persoonlijk waardevol zijn voor het individu. Want je kan je wel bekwaam voelen om te veranderen, maar er tegelijkertijd niet helemaal achter staan. Het is dus cruciaal dat de behoefte aan competentie en autonomie hand in hand gaan.

Wanneer het abc ondermijnd wordt ...

Wanneer autonomie, verbondenheid en competentie niet ondersteund worden, voelen mensen zich onder druk gezet en hebben ze het gevoel te falen en er alleen voor te staan. Dit brengt heel wat negatieve emoties zoals spanning, kwaadheid, schuldgevoel en ontevredenheid met zich mee. De persoon voelt zich dus slecht bij het gedrag dat hij of zij stelt. Als gevolg raakt het gewenste gedrag stilaan geassocieerd met die vervelende gevoelens, waardoor de persoon het op den duur zal vermijden. De persoon haakt af en blijft bij het huidige (ongezonde) gedrag, dat bovendien (op korte termijn) meestal net voor aangename emoties zorgt, zoals plezier, verzadiging of ontspanning. 

Eens gemotiveerd, altijd gemotiveerd?

Hoe iemand gemotiveerd is (gecontroleerd vs. autonoom) is niet vaststaand maar varieert doorheen de tijd (van week tot week, dag tot dag en zelfs van uur tot uur). Zo kan je als doel hebben om regelmatig te gaan wandelen en dit de ene dag doen vanuit een autonome motivatie of ‘goesting’, maar de andere dag vanuit een gecontroleerde motivatie of ‘MOETivatie’ (bv. omdat je wandelpartner heeft afgezegd en je behoefte aan verbondenheid niet langer bevredigd wordt). Het wandelen kan na verloop van tijd ook te weinig uitdagend worden (competentie-ondermijnend) of net als een verplichting beginnen aan te voelen (autonomie-ondermijnend), waardoor de autonome motivatie vermindert. Andersom kan je er gaandeweg net meer plezier in vinden omdat je conditie verbetert (competentie-bevrediging) en je zelf kan bepalen hoe ver en hoe snel je wandelt (autonomie-bevrediging).