There’s no health without mental health

Brock Chisholm, de eerste directeur-generaal van de Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO), benadrukte al in 1954 dat fysieke en mentale gezondheid nauw met elkaar verbonden zijn. Hij stelde: “without mental health there can be no true physical health”.

Gezondheid moet dus benaderd worden als integraal concept: naast fysieke en geestelijke gezondheid, onderscheiden we ook sociale gezondheid. Het is dynamisch en complex. Dat maakt ook duidelijk waarom bijvoorbeeld bewegen, een positieve invloed kan hebben op ons mentaal welbevinden, of waarom onze emoties en gemoedstoestand ons eetgedrag kunnen beïnvloeden.

Facetten van gezondheid deelcomponenten

Geestelijke of mentale gezondheid

De term ‘geestelijke gezondheid’ wordt vaak gedefinieerd vanuit geestelijke ongezondheid (Cattan & Tilford, 2006): je bent geestelijk gezond wanneer er geen symptomen aanwezig zijn die wijzen op ongezondheid. Maar iets wat er niet is, bestaat eigenlijk niet … Geestelijk gezondheid is dus ‘meer’ dan enkel niet ziek zijn.

We kunnen stellen dat er sprake is van ‘optimale’ geestelijke gezondheid wanneer iemand enerzijds geen of slechts minimale psychische klachten heeft (dit is het pathogenetische element) en anderzijds ook in positieve zin goed functioneert (dit is het salutogenetische element). Die persoon heeft dan het gevoel zijn of haar capaciteiten en mogelijkheden te kunnen inzetten en kan kleine en grote stresserende gebeurtenissen het hoofd bieden. Daarnaast kan deze persoon zich op een nuttige manier bezighouden en kan hij/zij op een positieve manier relaties met de mensen om zich heen uitbouwen en onderhouden.

Het salutogenetische element van geestelijke gezondheid noemen we ook ‘positieve geestelijke gezondheid’. Die positieve geestelijke gezondheid komt tot uiting als mentaal welbevinden of ‘geluk’.

Optimale geestelijke gezondheid

Een wisselwerking tussen twee continua

De manier waarop ‘positieve geestelijke gezondheid’ en ‘geestelijke ongezondheid’ op elkaar inspelen wordt verder verduidelijkt aan de hand van het tweevoudig continuümmodel van Corey Keyes (2005).

Het eerste continuüm (de horizontale as) representeert de ‘geestelijke ongezondheid’, gaande van maximale tot minimale aanwezigheid van psychische symptomen en klachten. Het tweede continuüm (de verticale as) is de ‘positieve geestelijke gezondheid’. Dat gaat van je minimaal tot optimaal ‘goed in je vel voelen’ of mentaal welbevinden.

Tweevoudige continuum model

Het tweevoudig continuümmodel illustreert in de eerste plaats dat de relatie tussen positieve geestelijke gezondheid en psychopathologie niet perfect is: een hoge score op positieve geestelijke gezondheid gaat niet noodzakelijk samen met minder psychische klachten. En omgekeerd: het is niet omdat je geen psychische klachten hebt dat je mentaal welbevinden hoog is en je je gelukkig voelt. En een goede positieve geestelijke gezondheid is ook mogelijk voor iemand met psychische klachten. Onderzoek bevestigt die stelling. Een studie van Teng en collega’s (2015) toont bijvoorbeeld aan dat er een grote discrepantie ontstaat wanneer men geestelijke gezondheid uitsluitend meet vanuit een exclusieve pathogenetische benadering − met een focus op psychische klachten en symptomen en psychopathologie −, dan wel vanuit een exclusieve focus op positieve gezondheid (i.e. vanuit een salutogenetische benadering).

De wisselwerking tussen beide continua definieert vier clusters van functioneren: in de eerste groep gaat het ervaren van hoog welbevinden samen met de afwezigheid van mentale ongezondheid. We zouden hier kunnen spreken over ‘optimale geestelijke gezondheid’. Het functioneren van deze groep wordt omschreven als floreren (flourishing). De geestelijke gezondheid van de tweede groep, wordt gekenmerkt door een combinatie van laag welbevinden, terwijl er toch geen psychische problemen of psychopathologie aanwezig zijn. Het functioneren van deze groep is aan het afbrokkelen (languishing), wat dus wijst op een steeds minder optimale geestelijke gezondheid. Het functioneren van een derde groep kan omschreven worden worden als worstelen of strijden (struggling). Bij deze groep is er sprake van een geestelijke gezondheid die gekarakteriseerd wordt door psychische problemen of stoornissen, in combinatie met een hoog niveau van welbevinden. Tot slot is er ook een groep die ploetert (floundering) en dat komt zowel in psychopathologie als laag welbevinden tot uiting.

Ten tweede laat het model ook zien dat de twee assen van geestelijke gezondheid weliswaar relatief onafhankelijk zijn, maar elkaar ook beïnvloeden. Er is een wisselwerking tussen beide. Deze wisselwerking zorgt ervoor dat het werken aan één as kan leiden tot verschuivingen op de andere as. Dit betekent ook dat wanneer er sprake is van psychopathologie (meer geestelijke ongezondheid) iemand baat kan hebben bij het versterken van zijn of haar mentaal welbevinden. Het werken aan mentaal welbevinden kan dus zowel je positieve geestelijke gezondheid versterken als een positief effect hebben op eventuele psychische klachten. Geestelijke gezondheidsbevordering zal daarom primair inzetten op het versterken van de as van positieve geestelijke gezondheid.