Roken draagt sterk bij aan gezondheidsongelijkheid omdat het vaker voorkomt bij mensen met een lagere opleiding en een lager inkomen. Deze groepen beginnen eerder met roken, roken intensiever en stoppen minder vaak, wat leidt tot meer ziekte en sterfte. Daardoor ontstaan grote verschillen in levensverwachting en gezondheid tussen sociale groepen. Onderzoek toont dat tabaksgebruik een belangrijke oorzaak is van sociaaleconomische gezondheidsverschillen en een grote impact heeft op sterftecijfers en welvaart binnen de samenleving. 

Omdat roken zo'n grote impact heeft op de gezondheid en bepaalde risicogroepen het méér doen, krijgen zij ook significant méér te maken met ziekte en sterfte. Ongelijkheden in tabaksgebruik dragen op die manier sterk bij aan het ontstaan en in stand houden van socio-economische verschillen in de kwaliteit en duur van leven. Volgens de Engelse rookstoporganisatie ASH-UK is tabaksgebruik de belangrijkste factor bij het ontstaan van gezondheidsongelijkheden in het Verenigd Koninkrijk. Veel internationale studies tonen dit verband aan.  

Roken hangt onder meer sterk samen met iemands opleiding en inkomen.  

Mensen met een beperkte scholingsgraad roken vaker

Volgens de auteurs van de meest recente Gezondheidsenquête (2025) “blijven er aanzienlijke sociale ongelijkheden bestaan op het gebied van roken. Lees meer over hoeveel en wie rookt in Vlaanderen.  

Ook voor andere kenmerken van rookgedrag is er een duidelijke link met scholingsgraad volgens deze studie, namelijk met:

  • de leeftijd waarop men begint met roken. “De eerste sigaret wordt gemiddeld tussen de 16,4 en 17,1 jaar gerookt, afhankelijk van het opleidingsniveau (n.s). Hogeropgeleiden hebben minder vaak sigaretten gerookt voor hun 16de (35,1%) dan lageropgeleiden (41,5% en 40,2%)”.
  • de duur van het dagelijks roken. “Hogeropgeleiden hebben minder vaak meer dan een jaar dagelijks gerookt (29,9%) dan lager opgeleiden (40,4% tot 40,7%). De gemiddelde duur van het dagelijks roken is ook omgekeerd evenredig met het opleidingsniveau: 17,8 jaar bij degenen met een hogere opleiding, 21,5 jaar bij degenen met een middelbare opleiding en 27,9 jaar bij degenen met minder dan een middelbare opleiding.”
  • de rookintensiteit. “Er is een omgekeerde relatie tussen opleidingsniveau en rookintensiteit. Het gemiddeld aantal sigaretten dat per dag wordt gerookt, neemt af naarmate het opleidingsniveau stijgt, van 16 sigaretten per dag bij mensen zonder middelbaar onderwijs tot 12 per dag bij mensen die hoger onderwijs hebben gevolgd. Deze trend wordt bevestigd door het percentage zware rokers: 6,8% onder de laagst opgeleiden en 5,9% onder middelbaar opgeleiden, vergeleken met slechts 0,9% onder degenen met een hogeronderwijsdiploma. Deze verschillen illustreren eens te meer de sociale gradiënt die samenhangt met rookgedrag.”
  • de tabaksverslaving7. “Tabaksverslaving komt significant vaker voor bij dagelijkse rokers met minder dan een middelbare opleiding (14,4%) dan bij degenen met een middelbare opleiding (7,0%) en met een hogere opleiding (3,1%). We kunnen aannemen dat in dit geval de mechanismen van psychologische en gedragsmatige afhankelijkheid een rol spelen.”
  • het aantal stoppogingen. “Het aandeel dagelijkse rokers dat in het afgelopen jaar een of meer stoppogingen heeft ondernomen, is hoger bij degenen met een hogeronderwijsdiploma (42,4%) dan bij degenen zonder hoger onderwijs (31,9% en 33,1%, n.s).”
  • de stopintentie. “Sociale ongelijkheden zijn ook duidelijk wat betreft de intentie om te stoppen: van de mensen met de laagste opleiding is 8,8% zeker om in de komende 12 maanden te stoppen. 34,7% heeft geen plannen om dat te doen. Van de mensen met een middelbareschooldiploma is 12,7% zeker van plan te stoppen, 20,9% wil dat niet. Tot slot is 17,1% van de mensen met een hogeronderwijsdiploma zeker van plan te stoppen, 11,4% wil dat niet.

Het verband tussen de kenmerken ‘zwaar roken’ en tabaksverslaving - beide gelinkt aan scholingsgraad - en het doen van stoppogingen en het hebben van een stopintentie wordt in het rapport als volgt beschreven: “Vergeleken met dagelijkse rokers die minder dan 20 sigaretten per dag roken, hebben "zware rokers" (20+ sigaretten/d) minder kans om te hebben geprobeerd te stoppen met roken in de afgelopen 12 maanden (25,3% < 39,7%) en minder kans om dit van plan te zijn in de komende 12 maanden (16,2% < 30,4%).  

18,2% van de rokers met een hoge of zeer hoge tabaksafhankelijkheid heeft geprobeerd te stoppen, vergeleken met 36,6% van de rokers met een lagere afhankelijkheid. Daarnaast is 45% van de rokers met een hoge tabaksafhankelijkheid niet van plan te stoppen in de komende 12 maanden, vergeleken met 18,4% van de rokers met een lagere afhankelijkheid.”

Uit de meest recente Preventiebarometer (Sciensano, 2025) blijkt dat er in Vlaanderen ook een link is tussen scholingsgraad en roken: “Personen met een diploma hoger onderwijs vertonen het laagste aandeel huidige rokers, namelijk 10,4%. Dit percentage ligt significant lager dan bij personen met een diploma hoger secundair onderwijs (16,7%). Het aandeel van deze personen met een diploma hoger secundair onderwijs ligt op zijn beurt significant lager dan dat van personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs (15,8%). Een gelijkaardig patroon wordt vastgesteld voor dagelijkse rokers: 4,8% bij hoger onderwijs, tegenover 9,8% bij hoger secundair en 11,6% bij lager secundair onderwijs, waarbij elke onderwijsgroep significant verschilt van de andere.”

Ook jongeren met beperkte scholing roken meer

Ook bij jongeren hangt rookgedrag samen met de gevolgde opleidingsvorm. Jongeren met arbeidsmarktfinaliteit (vroeger BSO) roken vaker dan jongeren met dubbele finaliteit (vroeger TSO) en zij roken op hun beurt meer dan jongeren met doorstroomfinaliteit (vroeger ASO/KSO). 

De leerlingenbevraging van het Vlaams expertisecentrum Alcohol en andere Drugs (VAD) toont dat sociaaleconomische verschillen in rookgedrag al zichtbaar zijn vanaf de vroege adolescentie:

  • Er is een duidelijk verschil in rookgedrag tussen leerlingen uit de A-stroom en B-stroom. 
  • In het BSO roken meer jongeren dan in het TSO. 
  • In het TSO roken meer jongeren dan in het ASO. 
  • Jongeren in het BSO beginnen vroeger met roken. 
  • En ze roken vaker regelmatig en dagelijks. 

Lees meer over hoeveel jongeren roken 

Bij de jongeren zien we dus een voorafspiegeling van wat later bij de volwassenen duidelijk wordt: er bestaat een sterke band tussen roken en beroepsgroep. 

Mensen met een lager inkomen roken vaker

Een goede cijferbron over rookgedrag in Vlaanderen is de Preventiebarometer van Sciensano (2022 en 2025). Uit deze studies blijkt hoe sterk de link is tussen roken en gezinsinkomen. “Personen die aangeven moeilijk rond te komen met hun gezinsinkomen zijn vaker huidige en dagelijkse rokers dan personen die aangeven gemakkelijk rond te komen.” 

De meest recente Preventiebarometer stelt dit: “Een significant groter aandeel huidige rokers vinden we bij de personen die aangeven moeilijk rond te komen met hun gezinsinkomen ten opzichte van de personen die melden gemakkelijk rond te komen (respectievelijk 18,3% vs. 12,5%). Dat is ook zo bij de dagelijkse rokers (11,7% vs. 6,9%). Binnen de groep van personen die moeilijk rondkomen zijn er ook significant meer mensen die gestopt zijn met roken (30,4% vs. 25,1%). Personen die hebben aangeduid dat ze gemakkelijk rondkomen, hebben daarnaast vaker nooit gerookt (62,5%) dan personen die aangeven moeilijk rond te komen (51,3%).”

 

De gevonden gezondheidsongelijkheden komen ook voor in andere Europese landen. Dagelijks roken is vaak gelinkt aan de laagste inkomens in de Europese landen.

Impact van roken op de ongelijkheid in sterfte en welstand

Verschillende onderzoeken hebben geprobeerd om de specifieke impact van rookgedrag op het ontstaan van gezondheidsongelijkheden te meten.  

Studies die sterfte- en welstandscijfers over langere periodes onderzoeken en cijfers van grote datasets leveren de beste resultaten. Enkele voorbeelden: 

 

  • In een langetermijnstudie van 24 jaar bij meer dan 10.000 Londense ambtenaren bleek roken verantwoordelijk voor 32% tot 35% van het verschil in sterfte tussen rokers met een hoge en lage sociaaleconomische status (SES).
  • In een internationaal onderzoek bij 600.000 mannen tussen 35 en 69 jaar was roken verantwoordelijk voor ongeveer de helft van het verschil in sterfte tussen de hoogste en laagste SES-groepen.
  • In Nederland is het risico op overlijden door longkanker drie keer zo hoog bij mensen die enkel lager onderwijs hebben gevolgd dan bij mensen met een hbo- of universitair diploma. Tabaksgebruik verklaart ongeveer een derde van het verschil in levensverwachting tussen lager- en hogeropgeleiden.20 
  • Uit een onderzoek in Engeland, gebaseerd op gegevens die werden verzameld bij meer dan 195.000 volwassenen in de periode 2014-2023, blijkt dat er een sterk verband is tussen rookgedrag en een grote(re) economische achterstand. Een lagere beroepsstatus, lager inkomen, lager opleidingsniveau, het huren van een woning en het wonen in een sociale huurwoning zijn allemaal geassocieerd met een hogere prevalentie van roken, met een sterkere drang om te roken en met minder succes bij het stoppen met roken.
  • Uit een Europese studie over de impact van scholingsgraad op tabaksgerelateerde sterfte in de periode 2000-202022 blijkt dat deze bij mannen afnam in alle Europese landen, maar het grootst bleef bij degenen met een lagere opleiding. Bij vrouwen nam de impact toe of stabiliseerde. Vrouwen begonnen later met roken, dus mogelijk neemt de invloed van hun tabaksgebruik op de gezondheidsongelijkheid in de komende jaren toch toe.
  • Een recente studie van Sciensano toont de sterke samenhang tussen welvaart en sterfte in België. In de minst welvarende wijken ligt de sterfte hoger en heeft ze andere oorzaken dan in de meest welvarende. Was er geen ongelijkheid en kende iedereen het hoogste niveau van welvaart, dan zou België jaarlijks 21.000 sterfgevallen minder tellen.  

Sciensano benoemt ook drie aandoeningen als belangrijkste doodsoorzaken in de minder welstellende wijken: longkanker, chronisch obstructieve longziekte en ischemische hartaandoeningen. En de organisatie meldt erbij dat deze drie veroorzaakt kunnen worden door roken.  

Was er geen ongelijkheid in sterfte als gevolg van deze drie, dan hadden in 2022 6.000 sterfgevallen kunnen vermeden worden. De grote verschillen in tabaksgerelateerde sterfte zijn volgens Sciensano ontstaan doordat de voorbije decennia het aantal rokers onder laaggeschoolden minder sterk daalde dan onder hooggeschoolden. Antirookcampagnes boekten niet bij alle groepen evenveel succes. 

              

Onderzoek in het Verenigd Koninkrijk toont dat roken er de grootste oorzaak is van het verschil in levensverwachting tussen de rijkste en armste bevolkingsgroepen. Het aantal rokers is immers significant hoger en daalt langzamer bij hen.

 

Het is ook bekend dat mensen uit kansarmere milieus een grotere kans hebben om kanker te krijgen. Een Engels onderzoek uit 2022 toont aan dat stoppen met roken deze ‘kankerongelijkheidskloof’ met meer dan de helft kan terugdringen. Rookstop heeft de grootste impact op het dichten van die kloof. Als niemand had gerookt, waren er volgens deze bevindingen in Engeland 61% minder gevallen geweest van kanker gelinkt aan maatschappelijke achterstand.  

 

Een onderzoek van Cancer Research UK uit 202526 toont opnieuw dat het sterftecijfer door kanker bijna 60% hoger is voor mensen die in de meest kansarme streken van het Verenigd Koninkrijk wonen. Er zijn jaarlijks 28.400 sterfgevallen door kanker die verband houden met sociaaleconomische ongelijkheid. Dat komt vooral door de verschillen in blootstelling aan risicofactoren zoals roken. Het aantal rokers in de minst welvarende delen van Engeland is minstens driemaal zo hoog als in de meest welvarende.