Rol voor de overheid in voedingsreclame? Standpunt Gezond Leven

Landen met een sterk overheidsbeleid rond ongezonde voedingsreclame naar kinderen zien de verkoop van ongezonde voeding dalen. Dit in tegenstelling tot landen waar de voedingsindustrie aan zelfregulering doet: daar stijgt de verkoop van ongezonde voeding. Diezelfde logica geldt voor controle van beloftes. In landen met zelfregulering controleert men over het algemeen minder strikt.

In haar document rond digitale marketing voor ongezonde voeding vraagt de WHO beleidsmakers om paal en perk te stellen aan de grote politieke macht van de voedingsindustrie. De huidige aanpak bevoordeelt producenten van ultrabewerkte voedingsmiddelen, waarbij men focust op de verantwoordelijkheid en keuzevrijheid van het individu.

Het Vlaams Instituut Gezond Leven benadrukt dat ‘vrije keuze’ in de huidige context een illusie is. Rachel Griffiths uitspraak geldt ook hier: ‘Je kan kinderen niet verbieden te snoepen in een snoepwinkel’. 

Neutraliteit bevoordeelt sterkste partij

Bij een groot machtsonevenwicht een neutrale positie aannemen, bevoordeelt altijd de sterkste partij, in dit geval de industrie met haar sterke lobby- en marketingapparaat. De WHO concludeert dat de huidige laissez faire aanpak het obesitasprobleem niet indijkt, integendeel. De burger en zeker onze kinderen verdienen een doortastende en beschermende overheid.

Het Vlaams Instituut Gezond Leven dringt daarom aan op overheidsregulering waarbij de overheid samen met een groep van experten criteria vastlegt. Het is ook de overheid die sancties moet kunnen vastleggen en toepassen als de regels worden overtreden. 

Overleg met industrie

Samengevat zouden overheden de regie in handen moeten nemen (en houden) bij de ontwikkeling, implementatie, monitoring en evaluatie van maatregelen en de naleving hiervan tegen ongezonde voedingsmarketing naar kinderen toe. Dit in overleg met de industrie, die instaat voor het concretiseren van het kader en de implementatie. 

Hoewel dit onderwerp grotendeels buiten de Vlaamse bevoegdheden valt, hopen wij dat onze adviezen door de Vlaamse overheid actief verder verspreid zullen worden op federaal en zelfs op Europees niveau. Zo kan het Vlaamse preventiebeleid ook een rol spelen in dit verhaal. 

Standpunt Gezond Leven rond kindermarketing voor ongezonde voeding

1

Zelfregulering werkt niet, ook niet zoals de Belgische voedingsindustrie ze vandaag via haar eigen initiatief, de Belgian Pledge, toepast.  De voedingsindustrie stelt daarin zelf de criteria op die bepalen of een voedingsmiddel geadverteerd mag worden of niet. En die criteria zijn minder streng dan criteria van bijvoorbeeld de WHO. Bovendien onderschrijven slechts een beperkt aantal bedrijven de vrijwillige Pledge en gebeurt monitoring door de voedings- en reclame-industrie zelf.

Niet de (voedings)industrie, wel beleidsmakers en experten (in voeding, communicatie, pedagogie en psychologie) moeten samen nadenken over goede criteria om kinderen te beschermen tegen ziekmakende voedingsmarketing. De overheid zou deze experten moeten samenbrengen en hun adviezen vertalen in bindende regels die ook juridisch afdwingbaar zijn.

Bij de ontwikkeling van voedingscriteria houdt de overheid steeds de touwtjes in handen en bepaalt ze het kader, i.s.m. een gezondheidsinstantie. Dit gebeurt in overleg met de industrie, die instaat voor het concretiseren van het kader en de implementatie.

Als tussenfase moet de zelfregulering van de voedingsindustrie grondig en continu gescreend worden, bij voorkeur door onafhankelijke (overheids)organen. Daar horen ook gepaste sancties bij als bedrijven hun engagementen niet naleven. Deze tussenfase moet beperkt zijn in de tijd, zodat ze geen excuus voor inertie kan worden. Een strikte deadline is noodzakelijk.

2

De regulering is er alleen voor ongezonde voeding. Marketingcommunicatie gericht op gezonde voeding juichen we toe. Duidelijke voedingscriteria die ‘gezond’ van ‘ongezond’ onderscheiden, dringen zich in die zin op. De Belgian Pledge- criteria zijn te tolerant voor eerder ongezonde voeding. 

Gezond Leven is daarom voorstander van de toepassing van het WHO nutrient profile model. De voedingscriteria in dat model werden ontwikkeld door een toonaangevende organisatie, worden internationaal gedragen en zijn speciaal opgesteld om ongezonde voedingsreclame naar kinderen in te perken.

3

Daarnaast moet men de blootstellingsrisico’s van ongezonde voedingsreclame onderzoeken. Op basis daarvan moet men beschermende criteria vastleggen: welke leeftijdsgrenzen, welke media (alle media), welke marketingmethoden -en technieken (ook reclame op productverpakkingen, het gebruik van populaire figuurtjes op verpakkingen en het afbeelden van overdreven porties op verpakkingen) en welke andere criteria (bijvoorbeeld restricties in zendtijden van tv-reclames)? De overheid moet die criteria op onafhankelijke wijze opstellen, samen met de relevante experten. 

Nieuwe vormen van marketing naar kinderen en jongeren toe moeten hierbij zeker meegenomen worden. Onder andere reclame voor ongezonde voedingsmiddelen en dranken tijdens sportevenementen, sponsoring van sportevenementen, het misbruik van het thema beweging bij ongezonde voedingsreclames, reclame via sociale media. Onder sociale media vallen bijvoorbeeld product placement via YouTube vloggers en influencer marketing die vaak kinderen en jongeren als specifieke doelgroep hebben.

4

Ook moet de overheid maatregelen en sancties ontwikkelen en toepassen bij niet-naleving van de criteria en regelgeving. Dit veronderstelt monitoring van het (niet-)naleven van de criteria en regelgeving, en de mogelijkheid om voedingsbedrijven adequaat te sanctioneren. Een systeem voor het melden van klachten is hier een belangrijk onderdeel van.

5

Bij het invoeren van de maatregelen is de gezondheidsongelijkheid een belangrijk aandachtspunt. Via een armoedetoets, zoals gedefinieerd in het Actieplan Armoedebestrijding van de Vlaamse Regering, kan men nagaan of de beperking van ongezonde voedingsreclame naar kinderen en jongeren toe minstens evenveel effect heeft bij de lagere inkomensgroepen als bij de algemene bevolking.