Alle smeer- en bereidingsvetten rijk aan onverzadigde vetzuren vind je in de donkergroene zone van de voedingsdriehoek. Ze krijgen de voorkeur boven de vetten in de oranje zone, die rijk zijn aan verzadigde vetzuren. Over verzadigde vetten hoor je veel tegenstrijdige geluiden. Toch blijft de wetenschappelijke consensus ongewijzigd: beperk je inname van verzadigd vet, en spring dus zuinig om met het botervlootje en de pot kokosolie.

Wat met de minarines en margarines? Zijn die een goed alternatief voor boter en co

Of minarines en margarines een goed alternatief zijn hangt af van hun vetzuursamenstelling: de
verhouding tussen onverzadigde en verzadigde vetzuren. Het gehalte aan verzadigde vetzuren
maakt bij voorkeur niet meer dan een derde uit van het totale vetgehalte.

Je ziet deze samenstelling vaak al aan de verpakking en textuur van het product. Margarine in een
wikkel is meestal hard wat wijst op hoofdzakelijk verzadigd vet. Margarine of minarine in een vlootje
is meestal zacht en makkelijk te smeren (rijk aan onverzadigde vetzuren).

Wil je zeker zijn? Bekijk dan de voedingswaardetabel op het etiket (vetten, waarvan verzadigde
vetzuren). Margarines die maximaal een derde verzadigd vet bevatten, worden net als vloeibare
plantaardige olie ondergebracht in de donkergroene zone van de voedingsdriehoek. Is meer dan een
derde van het vet verzadigd, dan behoren ze tot de oranje zone van de driehoek.

Zijn transvetzuren dan geen probleem meer?

Nogal wat consumenten vertrouwen margarines niet. Ze associëren dit vaak met transvetzuren die schadelijk zijn voor de gezondheid.

Bij de oorspronkelijke productiewijze van margarine werden vloeibare plantaardige oliën via een chemisch proces gedeeltelijk harder gemaakt (hydrogenatie). Zo bereikten producenten de gewenste consistentie. In dat proces wordt een gedeelte van de onverzadigde vetzuren omgezet in verzadigde vetzuren. Als neveneffect (doordat het omzetten niet volledig werd doorgevoerd) ontwikkelden zich transvetzuren.

Toen onderzoekers in de jaren ’90 vaststelden dat dit type vetzuren het risico op hart- en vaatziekten verhoogt (meer nog dan verzadigd vet), gingen producenten van margarines op zoek naar een andere techniek.

Gezond Leven ging te rade bij twee grote producenten van margarines Unilever en Vandemoortele, om zicht te krijgen op de huidige productiemethode.

Vandaag gebruiken producenten niet langer hydrogenatie om plantaardige oliën harder te maken. Ze kiezen nu voor een mix van verschillende oliën in een verhouding die enerzijds de gewenste ‘smeerbare’ consistentie geeft, maar anderzijds een gunstige vetzuursamenstelling (overwegend onverzadigd) behoudt. In die mix is een ‘hard vet’ nodig voor de textuur, hiervoor wordt bijna uitsluitend palmolie gebruikt. Dit wordt vermengd met koolzaad-, lijnzaad-, zonnebloem- en/of sojaolie.

Zijn margarines vandaag de dag volledig vrij van transvetzuren?

Margarines bevatten nog steeds een kleine hoeveelheid transvetzuren, gevormd tijdens het raffineren (minder troebel maken) van de gebruikte oliën. Hierbij worden oliën verhit en ontstaan er transvetzuren. Het gaat echter om minimale hoeveelheden (minder dan 1 g per 100 g). Hetzelfde geldt trouwens voor plantaardige oliën in vloeibare vorm: alle oliën in de winkel zijn gezuiverd.

De Hoge Gezondheidsraad adviseert om de inname van transvetzuren zo veel mogelijk te beperken, met nul als streefwaarde. Sommige Europese landen legden een bovengrens vast. In Denemarken, Oostenrijk en Hongarije bijvoorbeeld mag een voedingsmiddel wettelijk niet meer dan 2 g transvetzuren per 100 g vet bevatten. In ons land bestaat hier geen wet over. Dat lijkt ook niet onmiddellijk nodig. 

De consumptie  van transvetzuren is immers al sterk teruggedrongen en vormt daardoor geen reden tot bezorgdheid meer. De resultaten van de meest recente Voedselconsumptiepeiling bevestigen dit: de gemiddelde inname van transvetzuren (van industriële en natuurlijke oorsprong) in België bedraagt 0.9 gram per dag (WIV, 2014). Volgens de Europese etiketteringsregels is het ook niet verplicht om expliciet op het etiket te vermelden of een product transvetzuren bevat. Je kan wel kijken naar de ingrediëntenlijst: staat er ‘plantaardig vet, gedeeltelijk gehard’ of ‘gedeeltelijk gehydrogeneerd vet’ op de verpakking, dan bevat het product transvetzuren.

Hoe zit het met vloeibare margarines?

In de ingrediëntenlijst van vloeibare margarines (verkocht in een knijpfles) vind je wel nog ‘geheel geharde plantaardige olie’ terug. Bij het volledig harden van vetten worden echter geen transvetzuren gevormd: hierbij worden alle onverzadigde vetzuren omgezet naar verzadigde vetzuren.

Deze geheel geharde vetten worden gebruikt in vloeibare margarines om tot de juiste viscositeit te komen (dun genoeg om gemakkelijk uit de fles te komen, maar niet zo dun dat de oliefractie zich afscheidt). 

En palmolie, is dat dan wel gezond en duurzaam?

Palmolie bevat meer verzadigde vetzuren dan de meeste plantaardige oliën (maar minder dan kokosvet) en is daarom relatief minder gezond dan andere (met name vloeibare) plantaardige oliën. Door palmolie te mengen met de olie uit bijvoorbeeld zonnebloemen of koolzaad blijft de hoeveelheid verzadigd vet in het eindproduct beperkt tot maximaal een derde.

Zowel Vandemoortele als Unilever geven aan dat alle palmolie die ze gebruiken gecertificeerd is door de Roundtable on Sustainable Palmoil (RSPO).

Lees meer over palmolie en duurzaamheid of raadpleeg het traject van palmolie van plantage tot bord van Eos Tracé

Meer weten over vetten en gezondheid